Harm Slot

Harm Slot

Eén van de renners in deze tijd was Harm Slot. Deze is in de loop der jaren uigegroeid tot een cultfiguur. Iets wat ongetwijfeld te maken had met zijn excentrieke levenswijze. Er is zelfs nog een boek aan hem gewijd, geschreven door Peter van Putten.

Harm Slot, één van de renners in deze periode, is in de loop der jaren uitgegroeid tot een “cultfiguur”. Dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn excentrieke levenswijze. Er is zelfs nog een boek aan hem gewijd, geschreven door Peter van Putten. Het eerste exemplaar van het boek is - in aanwezigheid van de genoemde journalist - door burgemeester Bijl uitgereikt aan Drenthe’s eerste profrenner. Dit vond plaats in 2001 in het wooncentrum “Oldersheem” te Nieuw-Amsterdam, waar Harm Slot zijn laatste levensjaren doorbracht.

Zelf hebben wij het onderstaande interview met Harm Slot bewaard, gemaakt door Roelof Tienkamp in 1977.   Harm Slot, eerste profrenner van Drenthe “Dat waren nog eens tijden”   Dat waren tijden, die nooit weerkeren. Dat waren de dagen dat je tot op de bodem van je krachten ging, dat je de kasseien uit de nauwe straatjes van de Belgische stadjes joeg om even later op te gaan in het plaatselijke feestgewoel. Met pinnekes en een schoon wijfke. Dat waren de dagen van pure kracht. Geen zalfjes, psychotherapeuten en snelle superlichte geoliede fietsjes, maar dikke gespierde poten, fietsen met fietspompjes en een reserveband om je nek.
Harm Slot uit Nieuw-Amsterdam bij Emmen is 56 nu. Hij heeft het allemaal van erg nabij meegemaakt. Tien jaar lang profrenner vanaf 1947. Op de fiets van huis naar België, de tent opzetten in het Antwerpse bos en iedere dag een kermiskoersje pikken. Reed je de koers uit, vijfentwintig gulden startgeld. Een hele handvol geld in die dagen. Daar kon je op diverse fronten duchtig mee uit de voeten. “Ik heb”, zegt Harm Slot dan ook,.....donders veel lol gehad in die tijd”. Een verhaal over de eerste broodrenner van Drenthe.
 
Harm Slot is beroepsrenner geworden uit pure armoede. Vlak na de oorlog was ’t met de werkgelegenheid in Zuidoost Drenthe slecht gesteld en na tijdenlang intensief speurwerk naar een baantje gaf Harm Slot er de brui aan. “Ik dacht: weet je wat, ik ga fietsen voor m’n geld. Ik was al een tijdje amateur en in 1947 heb ik toen maar m’n proflicentie aangevraagd. Ik wist niet of het zou lukken, maar ’t was het proberen in ieder geval waard. Werkloos thuiszitten was immers ook niets”. 
Voor Slot braken tien zeer avontuurlijke jaren aan. ’s Zomers fietsen op kermissen in België en Brabant, in het najaar werken bij de boer, af en toe een beetje smokkelen aan de grens, in het voorjaar trainen en zo tegen mei weer op de fiets naar het zuiden. Hoewel Harm ’t allemaal prima vond, keek men over ’t algemeen vreemd op van z’n wat afwijkende levenspatroon. Betaalde sportbeoefening was in die dagen even onbegrijpelijk als een maanlanding en de Nieuw-Amsterdammer heeft dan ook heel wat opmerkingen te slikken gekregen. “Wat dat betreft”, zegt hij, “heb ik de vreemdste dingen meegemaakt. Het was op een gegeven moment zelfs zo erg dat m’n ouders dachten dat ik door inbreken aan het geld kwam. Zij verklaarden mij in die tijd voor gek. De boeren waren in het voorjaar op de landen bezig en als ik dan langs kwam fietsen, dan gingen de vingers naar het voorhoofd. Ik heb me er trouwens nooit zoveel van aangetrokken. Tja, waar blijf je dan?”

LEGENDARISCH
Juist door z’n non conformisme werd Harm Slot in dit deel van Drenthe een haast legendarische figuur. Later, toen ook in Noord-Nederland koersen werden georganiseerd, had hij een enorme supportersschare. Slot heeft nooit het talent gehad veel prijzen te winnen, daarvoor was hij (hij geeft het zelf ruiterlijk toe) net niet snel genoeg. Daar werden nogal eens grappen over gemaakt. “Slot volgt” zeiden velen en ook daar heeft de vriendelijke vijftiger zich nooit iets van aangetrokken. “Dat winnen”, zegt Harm Slot nu, “dat kon me in eerste instantie niet eens zo vreselijk veel schelen. Natuurlijk zou het mooi zijn geweest, maar ’t ging er mij om, dat ik de koers uitreed. Dan beurde ik m’n geld immers? Tenslotte was daar het rijden om begonnen. Ik ben nog nooit afgestapt. En daar mag je toch ook wel weer trots op zijn. Ik heb nooit zo gehouden van die showrijders. Dat waren nooit mijn types. Ik was meer een krachtfiguur op de fiets, eentje die altijd doorging, hoe slecht de omstandigheden soms ook waren. Dan kweek je sympathie bij de mensen, dat vinden ze allemaal mooi”.

VERANDERD
Er is volgens Slot veel veranderd in de wielrennerij. In de tijd van Rik van Steenbergen, Wim van Est, Woutje Wagtmans en Harm Slot ging het veel langzamer. “Maar ook”, zegt Slot, “was het over het algemeen veel sportiever. Kijk, wij sloegen elkaar ook wel eens de hersens in met onze fietspompen, daar niet van. Maar over het algemeen hadden de renners toen veel meer voor elkaar over dan nu. Ik kan me nog herinneren dat er eens een renner verongelukte op de Belgische kasseien. We hebben toen een week of wat later allemaal ons startgeld aan die weduwe gegeven. Mooie dingen zijn dat toch, hè?”  

ALLEEN
Iedere renner reed in die dagen individueel. Helemaal in z’n eentje voor zichzelf. Ploegen en sponsors, daar had men in die dagen nog nooit van gehoord.
“’t Was een prachtige ongecompliceerde boel”, zegt Slot. “Veel gemakkelijker dan nu. Er komt, vooral bij criteria, nogal wat bij te kijken. Je had toen ook geen knechten, hoor. Er verscheen gewoon een aantal renners aan de start. Als het startschot had geklonken, dan fietste je je gewoon te barsten en lette verder nergens meer op. Veel taktiek viel er in die dagen nog niet te bespeuren”. Volgens de Nieuw-Amsterdammer is het daaraan ook te wijten, dat de renners vandaag de dag veel eerder af zijn dan vroeger. “Je had coureurs als Schulte en Pellenaars, die fietsten nog toen ze al een jaar of veertig waren. Daar hoef je nou niet meer om te komen. Kijk maar naar Merckx. De beste renner die ooit geboren is, maar ’t gaat nu al niet meer. ’t Is veel plezieriger hoor, als je zo maar eens van je fietsje kunt stappen voor een bakkie koffie onderweg. Daar hoef je vandaag de dag niet meer om te komen”.

VERHALEN
De wielrennerij heeft Harm Slot er toe gebracht boeken te gaan schrijven. Hij reed in een koers naast “een bekende Italiaanse renner”, die hem vertelde dat hij tijdens de training altijd aan mooie dingen dacht. “Dan word je lang zo snel niet moe”, zei de Italiaan. “Dat heb ik toen ook maar eens geprobeerd en inderdaad: de vent had gelijk, het ging veel plezieriger allemaal”. Daarna ben ik, als ik aan het trainen was, ook maar aan gekke voorvallen uit m’n leven gaan denken. Maar op een gegeven moment bedacht ik, dat ik zoveel rare en geinige dingen heb meegemaakt, dat het wel leuk zou zijn dat allemaal eens op te schrijven. Ik heb toen maar een typemachine gekocht en ben zo maar eens aan de gang gegaan. ’t Ging beter dan ik oorspronkelijk verwachtte”. Inmiddels heeft Harm Slot twee boeken geschreven: Ellert en Brammert is de eerste, het boekje Drentse verhalen is net een jaartje uit. Van de laatste heeft Harm er zo’n driehonderd verkocht. “Het gaat prima”, zegt hij, “er zijn nu nog maar 700 over, maar er is een constante vraag naar”.   Harm Slot is ook na z’n periode als profrenner een figuur gebleven, die niet helemaal goed in het gareel van alledag past. Hij woont in een klein huisje in de buurt van Nieuw-Amsterdam en drijft een miniem winkeltje. Alles is er te koop: z’n boek, zoetjes, een flesje frisdrank, maar ook oude auto-onderdelen. Vaak denkt Harm Slot nog terug aan z’n periode als wielrenner. “Jongen”, zegt hij, “dat waren tijden, dat vergeet je nooit meer”.  

Eén van de licenties van Harm Slot:

© 2000 - 2012 Wielersport Vereniging Emmen

Website door: Ediso